WAAROM KOMEN KINDEREN NAAR DE TROMMEL?
Bij ons thuis is er veel lawaai. Daar kan ik niet tegen. Dus ga ik buiten spelen. Maar dan vergeet ik mijn huiswerk te maken. Op school ben ik dikwils niet in orde. De meester weet niet wat hij met mij moet doen.
Mijn papa is weg van mijn mama. Nu moet mama alles alleen oplossen. Ze heeft niet veel geduld met mij. Ik ben niet van de gemakkelijkste.
Ik leer bij De Trommel hoe ik mijn huiswerk moet maken. Ze helpen me ook bij het leren van mijn lessen.
Ik zat vroeger in een home. Nu ben ik net terug thuis. Ik De Trommel helpen ze mij een beetje, want soms weet ik niet goed hoe het allemaal moet.
Mijn ouders maken altijd ruzie. Ik krijg dan op mijn donder. Dan word ik heel BOOS.
Mijn moeder heeft een nieuwe vriend. Die kan mij niet uitstaan. We maken ruzie. Soms krijg ik slaag.
Mijn mama is dood. Mijn papa moet hard werken. Om mij te amuseren pest ik de anderen en maak ik alles kapot. Dat mag niet. Dan krijg ik straf.
Bij ons hebben we geen geld. Papa is zijn werk kwijt. Mama kuist in het zwart. Af en toe moet ik reclame ronddragen voor het geld. Soms ga ik niet naar school. Op school ben ik altijd moe.